Brief aan de gemeente te Laodicea
Schijn tegenover waarachtigheid
De stad Laodicea
De stad Laodicea was in de Romeinse tijd zeer welvarend. De vallei waarin ze lag voorzag in goed weiland voor de schapen, bekend om hun zwarte vacht. De gewonnen wol was het fundament van een economie rond het weven van stoffen. De vervaardiging van fijn linnen had de stad een goede naam bezorgd. In Laodicea was ook een centrale bank gevestigd. De geldhandel was zeer omvangrijk. De banken verhandelden goud dat bekend stond om zijn zuiverheid.
Een bewijs van de rijkdom van de stad was dat ze, nadat ze verwoest werd door een aardbeving, herbouwd kon worden zonder hulp en tussenkomst van Rome. Laodicea rees door eigen kracht op uit de ruïnes, zonder hulp van anderen.
De artsenschool, gevestigd in Laodicea, was beroemd omwille van de oogzalf die er werd vervaardigd: voor oogkwalen allerhande moest je in Laodicea zijn!
Het probleem van deze stad was het gebrek aan een goede waterbron. Daarom werd het water van op een afstand van negen kilometer aangevoerd via een systeem van stenen buizen.
In de stad en de omgeving woonden ongeveer 7500 joden. Zoals de andere steden was ze ook een centrum van keizerscultus.
Mogelijk is de gemeente gesticht in de tijd dat Paulus in Efeze verbleef op zijn derde zendingsreis. In Kolossenzen 4 verwijst Paulus naar Laodicea en vraagt dat zijn brief ook daar wordt voorgelezen.
